11-02-2009 - Eilard Jacobs, Ruud Cochius en Richard Oudhuis
In 1921 besloot het stadsbestuur van Amsterdam over uitbreidingen van de stad in westelijke en zuidelijke richting. Tot die tijd werd in Amsterdam het regen- en afvalwater ingezameld in het gemengde rioleringstelsel en met een persleiding in de Zuiderzee geloosd. De capaciteit van deze persleiding was niet genoeg om ook het afvalwater van deze nieuwe stadsuitbreidingen te kunnen verpompen. Daarom werd besloten in die nieuwe stadsdelen het afvalwater op meer nabijgelegen wateren te lozen en het voor lozing te zuiveren.
Het gemeentebestuur kwam toen tot de conclusie dat de meest economische beslissing was om het afvalwater gescheiden van het regenwater in te zamelen. Daardoor konden de te bouwen afvalwaterzuiveringen 'West' en 'Zuid' beperkt blijven in hun capaciteit. Het regenwater werd gescheiden naar de lokale wateren geleid. Vanaf die tijd werden in Amsterdam dus alleen gescheiden rioleringstelsels aangelegd. Daardoor heeft Amsterdam nu voor driekwart gescheiden riolering en voor een kwart gemengde riolering.
Vul onderstaand formulier in om uw deze pagina per e-mail naar uw kennis of collega te sturen.